Donderdag – Woordenstroom

Verstoorde Rust

Het was een prachtige dag en An fietste tevreden naar huis na een dag hard werken. Het was een heel eind, maar ze hield van de route die haar vanuit de stad via de omringende dorpjes en het bos naar haar eigen stadje bracht. Met slecht weer pakte ze vaak genoeg de auto, maar als het weer een beetje meezat, koos ze toch liever voor de fiets. Ewoud, haar vriend, had haar al vaak voor gek verklaard. “Drie kwartier op de fiets! Liefje, waarom zou je dat in ’s hemelsnaam doen als je de auto voor de deur hebt? Als je het leuk vindt om te fietsen, kun je toch in het weekend een rondje rijden?” An moest er altijd om lachen als hij dat zei. Ewoud was een gemaksmens en vond het nergens voor nodig om moeite te doen als het makkelijker kon. Zij was van mening dat hij daardoor heel veel moois misliep, maar volgens hem kon je ook best genieten als je wat gemakzuchtiger leefde. An merkte dat er ongemerkt een glimlach op haar gezicht was verschenen bij de gedachte aan Ewoud. Ze hield van hem en hij van haar, dat was voor iedereen wel duidelijk.

Een zacht briesje waaide haar halflange, bruine haren naar achteren en An betrapte zichzelf erop dat ze zachtjes voor zich uit neuriede. Een tegemoetkomende fietser knikte haar lachend toe, aangestoken door haar vrolijke bui. An knikte terug. Ze was bijna aan het eind van het laatste dorpje voor het bos gekomen. Het dorpje bestond uit een oud centrum, met straatjes bestraat met kleine keien en huizen uit de vorige eeuw. Aan weerszijden van de hoofdstraat stonden oude leibomen, als stille getuigen van de voorbije geschiedenis. Ze zou nu gauw op de weg komen die haar door het bos zou brengen, haar favoriete stukje van de route vanwege de rust en stilte in het bos. Het gebeurde regelmatig dat ze helemaal niemand tegenkwam in het bos en dat gaf haar de kans om volledig te ontspannen en de afgelopen dag van zich af te zetten.

Toen ze bij het bos aankwam, zag ze dat het vandaag niet anders was en ze ademde langzaam in en uit terwijl ze met ferme slagen doorfietste. Ze keek even op haar horloge. Zes uur. Mooi, dan zou ze waarschijnlijk nog net voor Ewoud thuis zijn en alvast aan het eten kunnen beginnen. Ze keek weer voor zich en zag een paar honderd meter verderop een man midden op het smalle fietspad staan. An fronste haar wenkbrauwen. Wat deed die man daar zo midden op het fietspad? Ze keek even om zich heen, niemand te zien. Ze begon zich een beetje ongerust te voelen. Met een ongeduldig gebaar schudde ze haar haren naar achteren, alsof ze daarmee haar gevoel ook van zich af wilde schudden. Vastbesloten fietste ze door, recht op de man af. Hopelijk zou ze daarmee zelfverzekerdheid uitstralen, al was ze er niet helemaal gerust op. Het leek de man niets te doen, hij deed geen stap opzij en keek haar recht aan. An aarzelde niet en belde een keertje met haar fietsbel ten teken dat ze erlangs wilde. Gelukkig, de man reageerde en deed een stap opzij. Maar op het moment dat ze de man daadwerkelijk passeerde, zag ze hoe hij een lange stok achter zijn rug vandaan trok. Voor ze het wist, voelde ze een scherpe pijn op haar achterhoofd. Van schrik en pijn liet An haar stuur los om naar haar achterhoofd te grijpen en tegelijkertijd viel ze voorover door de klap op haar achterhoofd. Ze realiseerde zich dat ze ging vallen, maar was niet meer in staat om het tegen te gaan. Er stompte iets in haar buik, ze dacht dat het haar stuur moest zijn waar ze overheen schoof, en ondertussen zag ze hoe de grond steeds dichterbij kwam. Met een smak viel ze neer. Eerst met haar gezicht in het zand, daarna haar onderlijf. Ze voelde dat er iets bovenop haar viel, het was haar fiets. Even werd het donker voor haar ogen door de val, maar ze knipperde en dwong zichzelf om bij te blijven. Dit was niet het moment om flauw te vallen. Voetstappen. Haar fiets werd ruw weggeschoven en daarbij schuurde haar trapper over haar rug met een brandende pijn tot gevolg. De man gromde en knielde bij haar neer. “Van mij ben je! Je denkt toch zeker niet dat je steeds zo uitdagend voorbij kunt fietsen zonder gevolgen? Ik heb je wel gezien. Je dacht dat niets je kon schaden. Je dacht zeker dat je hier veilig was? Al vanaf die eerste dag dat ik je zag wil ik je! En je maakte het me wel heel erg makkelijk door hier zo alleen voorbij te komen. Ik heb op je gewacht. Dagenlang. En dan keek ik naar je. Maar soms kwam je niet, wat maakte je me dan boos! Gisteren was je er weer niet en toen was het genoeg geweest. Als jij mij steeds teleurstelt, dan moet ik je maar eens laten voelen hoe dat is. En daarna neem ik je mee. Dan weet ik tenminste zeker dat ik je iedere dag kan zien.” De man fluisterde de woorden in haar oor, terwijl hij ondertussen met een vinger haar nek streelde. An huiverde van angst en kronkelde. De man voelde het. Razendsnel draaide hij haar om en omsloot hij haar nek met zijn handen. “Pas op!”, zei hij dreigend :”Want als je probeert te ontsnappen loopt het slecht met je af. Ik kan het niet hebben dat er over me gepraat wordt, snap je? Maar ik houd je liever bij me hoor, dus wordt maar rustig, dan komt het allemaal goed.” Hij had zijn gezicht nog steeds vlakbij haar oor en ze rook zijn zurige adem. Ze moest de neiging om te kokhalzen onderdrukken. “Kom, sta op. We moeten gauw gaan lopen voor iemand ons hier ziet.” De man tilde haar hoofd omhoog en pakte haar bij een arm om haar te helpen opstaan. An kreunde, alles aan haar lijf deed pijn. Toen ze stond, omvatte de man haar middel om haar wat steun te geven. An liet het gebeuren, verstijfd en versuft van angst. Voorzichtig begonnen ze te lopen. Ze strompelde een beetje, haar linkervoet deed behoorlijk zeer. Ondertussen bonsde haar hoofd van de klap de ze had gekregen. “Kijk, daar moeten we heen, verder het bos in. Ik heb hier een schuurtje waar nooit iemand komt. Helemaal stil. Daar hou jij wel van, toch? Ik zie altijd dat je zo geniet als je hier door het stille bos rijdt. Het zal je vast bevallen.” Hij lachte zachtjes.

Langzaam schuifelden ze van het pad af, verder het bos in. In stilte besloot An dat ze moest handelen. Zou ze schreeuwen? Er was niemand te zien. De man overrompelen? Dat zou haar nooit alleen lukken. Toen schoot haar te binnen dat ze haar mobiel nog had. Waar had ze die ook alweer gelaten? Oh, ja, haar broekzak. Zou ze hem niet verloren zijn zojuist? Onopvallend voelde ze ter hoogte van haar broekzak. Ze voelde een bobbel, dat moest hem zijn, gelukkig. Op de tast frummelde ze in haar broekzak en bevoelde ze haar telefoon om te bepalen waar de belknop zat. Het laatste nummer dat ze gebeld had, was dat van Ewoud, dat stond vast nog in het geheugen. Ze vond de knop, drukte er twee keer op. Hopelijk zou Ewoud de telefoon horen en opnemen. Maar het was hier helemaal stil, Ewoud zou vast denken dat ze per ongeluk belde. Ze moest iets zeggen, gauw. “Wat wil je van me?”, vroeg ze de man. Ze hoorde hoe haar stem kraste en kraakte. “Dat zei ik al.”, bromde de man. “Ik wil jou. Ik wil jou helemaal voor mij alleen. Ik heb heus wel gezien dat je een vriendje hebt, dacht je nou echt dat je dat voor mij verborgen zou kunnen houden? Ik weet alles van je en je hebt me echt gekwetst. Maar hier zal niemand je van me kunnen afpakken. Dan ben je altijd bij mij in plaats van bij hem”. Vluchtig keek hij haar aan en voor het eerst zag An zijn gezicht. De man had asblonde haren, sprieterig en de voorste plukken plakten aan zijn bezwete voorhoofd. Zijn gezicht was breed en zat vol rimpels. Hou oud zou hij zijn? Ze kon het niet inschatten. Zou Ewoud hen horen, zou ze het knopje wel goed ingedrukt hebben? Oh, ze moest praten! “Ik wil helemaal niet met jou mee. Ik wil naar huis!” Er klonk een snik door in haar stem. De man keek haar kwaad aan, zijn ogen schitterden van woede: “Hou je mond! Zo kwets je me. En als je me kwetst, moet ik je zeer doen, begrijp je dat dan niet!” De woede ging over in wanhoop. Hij ging voor haar staan, zodat hij haar recht in de ogen kon kijken en keek haar even zwijgend aan. Even was het helemaal stil en ze voelde de haat van de man tegenover haar.

Toen klonk ineens heel zachtjes haar naam: “An!” Het klonk blikkerig, van ver weg en wanhopig. Wat stom, ze had per ongeluk de luidspreker van haar telefoon aangezet. De man schrok ook, draaide zich even om zodat hij kon zien waar het geluid vandaan kwam. Nu moest ze handelen, nu! Bliksemsnel bukte ze, in de hoop dat ze een stevige stok kon vinden. Ja, daar! Ze kwam weer overeind en sloeg de man recht tegen zijn gezicht doordat hij zich net weer naar haar had omgedraaid en zette het vervolgens op een rennen.

Het gebladerte ritselde onder haar voeten, laaghangende takken zwiepten in haar gezicht en af en toe struikelde ze haast over beginnende struikjes en boompjes die ze in haar haast niet had gezien. “Ewoud!”, riep ze, in de hoop dat haar telefoon nog aanstond: “Ewoud! Bel 112, gauw!”, ze hijgde terwijl ze door bleef rennen. “Ik ren naar het dorpje naast het bos!” Ze verslikte zich haast en moest stoppen met praten. Rennen moest ze! Weg van die gek, weg van zijn machtsmisbruik. Ze keek over haar schouder en zag hoe de man haar verbeten achterna rende. Het leek wel of hij op haar inliep, maar ze probeerde niet op te geven. Ze beet op haar lip en rende verder. Ze voelde hoe takken striemen in haar armen trokken, maar gaf niet op. Plotseling, in een flits, zag ze een glimp van een huis! Ja, ze was er bijna. De adrenaline gierde door haar lijf en ze probeerde nog een beetje harder te rennen. De bonkende pijn in haar hoofd was ondraaglijk, maar ze zette door. De man rende hijgend achter haar aan. Toen klonken er sirenes. An begon te lachen van opluchting. Ewout had haar gehoord, de politie was onderweg! De man had het ook gehoord, hij vloekte luidruchtig, ze hoorde dat ook hij harder was gaan rennen. Maar nu kwam de bosrand in zicht en ze zag het huis weer dat ze eerder al even had gezien. Nog even, dan zou ze er zijn. De sirenes kwamen steeds dichterbij, oh wat een geluk dat ze Ewoud had kunnen bellen! Ze was nu zo dichtbij dat ze mensen in de tuin van het huis hoorde praten. Ze keek nog eens om en zag dat de man stilstond, zijn gezicht verwrongen van woede: “Wat maar meisje! Ooit zul je van mij zijn!” Daarna gaf hij een schreeuw van frustratie en draaide zich om. Hij zette het op een lopen, van haar weg. Toen keek ze weer voor zich, ze zag politieagenten naar het huis lopen. Ze zwaaide wild met haar armen: “Hier! Hier ben ik! Help me!” Daarna zakte ze in elkaar, haar benen konden haar niet meer dragen. Het was voorbij. Gelukkig was alles weer voorbij.

onderwerp : gebladerte, machtsmisbruik, briesje

volgende week : damp, verwondering, hal

Wil je meedoen? Dat kan. Gebruik de drie woorden voor volgende week in een verhaal van 750 tot 1500 woorden. Als je het verhaal op je blog wilt plaatsen, vraag ik je te wachten tot donderdag 19 mei. Verder ben je nergens aan gebonden. Je hoeft niet door te linken naar mijn blog, ik ga niemand beoordelen. Ik ben deze schrijfopdracht begonnen om mezelf te inspireren en vind het leuk als dat ook weer anderen inspireert. Als je het leuk vindt, kun je in de reacties natuurlijk altijd een link naar je eigen verhaal plaatsen zodat anderen je weten te vinden. En als ik een verhaal tegenkom dat ik zou willen delen, zal ik je misschien wel vragen of ik het ook hier mag plaatsen (met naamsvermelding natuurlijk). Ik ben benieuwd!

Advertenties

6 reacties

Opgeslagen onder Donderdag - Woordenstroom

6 Reacties op “Donderdag – Woordenstroom

  1. Leuk!

    Ik had weer eens een duwtje in de rug nodig. Ik ga aan de slag met die drie woorden.

  2. Kan zeker wedijveren met je “storm”verhaal!

Geef een reactie

Vul je gegevens in of klik op een icoon om in te loggen.

WordPress.com logo

Je reageert onder je WordPress.com account. Log uit / Bijwerken )

Twitter-afbeelding

Je reageert onder je Twitter account. Log uit / Bijwerken )

Facebook foto

Je reageert onder je Facebook account. Log uit / Bijwerken )

Google+ photo

Je reageert onder je Google+ account. Log uit / Bijwerken )

Verbinden met %s