Meeleven

 

Dat je kind op schoolreis gaat en niet terug komt. Dat is zo’n universele angst die iedere ouder wel kent. Meestal doen we het af met: ‘Wat kan er nou gebeuren?’ en ‘De kans dat er iets gebeurt is zó klein.’ Maar ja, áls die kleine kans zich dan toch voordoet, dan is het meteen ook dramatisch.

Je kind dood, of zwaargewond en het gebeurde terwijl jij er niet bij was. Je kon je kind niet beschermen (ook al weet je misschien wel dat het niets had uitgemaakt als je er wel bij was geweest), je kon het niet troosten, je was er niet.

In plaats van de stoere verhalen, in plaats van het enthousiasme van je kind, houd je niets meer over. Nog geen week geleden zwaaide je je kind uit, terwijl je je zenuwen de baas probeerde te blijven. En nu blijkt dat die zenuwen er niet voor niets waren. Je grootste angst is uitgekomen.

Ik kan niet anders dan meeleven en meevoelen. Af en toe slik ik een brok in mijn keel weg om het verdriet van mensen die ik niet ken. Maar het zijn ouders, zij hebben de zelfde ups en downs met hun kinderen als ik, ze hebben dezelfde angsten die meestal irreëel zijn. Maar in hun geval werd het realiteit. En dat had nooit moeten gebeuren.

Honden-geschiktheids-examen

Als ik de kinderen naar school heb gebracht, loop ik snel weer naar huis. Ik ben ziek en wil snel weer onder de wol. Vlakbij ons huis in een speelpleintje waar de laatste tijd vaak twee mensen hun honden los laten lopen. Het mag daar officieel niet, maar als zij goed op hun honden letten heb ik daar geen moeite mee. Vandaag zijn ze er ook weer en ze staan samen te praten terwijl hun honden rondrennen. Dan ziet één van de honden een kat die maar een paar stappen voor mij staat en het beest springt er blaffend en dreigend op af. Daar houd ik niet zo van en ik houd mijn pas in zodat de eigenaar tijd heeft om zijn hond terug te roepen. Maar de eigenaar doet niets.

Dan ziet de hond mij en hij rent op me af. Nog steeds grijpt de eigenaar niet in. ‘Hou je hond eens bij je’, roep ik, maar hij reageert niet. De vrouw die bij hem staat, komt wel langzaam mijn kant uit, dus ik ga er maar vanuit dat zij de hond gaat halen. Maar nee, zij loopt alleen naar haar eigen hond die iets verderop in de struiken zit. De hond die naar mij was komen rennen, loopt achter haar aan. ‘Waarom doe je niets als ik je vraag om die hond bij me weg te halen’, vraag ik geïrriteerd, terwijl ze langs me loopt. Ze kijkt me aan, maar geeft geen reactie. Ik vraag het haar nogmaals. Weer geen reactie. ‘Zou je antwoord kunnen geven als ik je iets vraag?’, zeg ik nu echt boos. Ze kijkt me aan. ‘Die hond is niet van mij, dus’, is het ongeïnteresseerde antwoord. Inmiddels komt de man ook aanlopen en ik richt me verder maar op hem. Ik stel hem dezelfde vraag. ‘Oh, ik had het niet door’, is zijn antwoord.

Ik probeer de man aan zijn verstand te peuteren dat zijn hond hier helemaal niet los mag lopen en dat hij al helemaal niet zomaar zijn hond op een vreemde moet laten aflopen, omdat niet iedereen (lees: ondergetekende) daarvan gediend is. En dat het dan in ieder geval misschien wel fijn zou zijn als hij zijn excuses zou aanbieden. Maar de man haalt zijn schouders op en zegt: ‘Mensen houden hun kat toch ook niet aan de lijn? En als u nu gewoon was doorgelopen, was u al lang binnen geweest.’

Ik ben bang dat ik hem heel woest heb aangekeken en daarna zo boos mogelijk ben weggebeend voor zover mijn zieke lijf me dat toeliet. Man, man, wat was ik kwaad. En afgaande op hun reactie, is het denk ik helemaal niet gek dat ik die hond niet vertrouwde. Want een hond is zo trouw als zijn baasje.

Misschien moet er maar een honden-geschiktheids-examen komen voor mensen zo’n schattige, lieve pup aanschaffen. Zou in ieder geval voor mijn gemoedsrust heel fijn zijn.

Voorjaarszondag

Wat heerlijk. Een rustige zondag met een vroege voorjaarszon. Ik deed een schoonheidsslaapje middagdutje, at een omelet van Thijs (echt waar, hij maakt ze het állerlekkerst) en ik vond zelfs nog tijd voor de beloofde foto’s van mijn nieuwe haakproject. Vrolijk hè, al die heldere kleurtjes. Het wordt uiteindelijk een dekentje voor Emma. Maar ze heeft nog even geduld nodig: ik heb nu ongeveer twintig granny squares gehaakt en ik moet er zeker nog zestig, maar misschien zelfs wel meer. Geeft niets, we hebben álle tijd van de wereld.

Acceptatie

Het is gek wat er van je overblijft als je door vermoeidheid weinig meer kunt. De dagen voelen bij het opstaan te lang om te overbruggen, maar bij het slapengaan te kort en onproductief. De ‘had ik maars’ vliegen dan voorbij, de ‘kon ik maars’ komen tevoorschijn. En ergens tussenin gloeit een smeulend hoopje acceptatie. Het ‘ach ja, het is nou eenmaal zoals het is’ met bijbehorende, gelaten zucht.

Maar als ik dan de volgende morgen de resten van een energieloze dag bij licht bekijk, wordt de onmacht me soms teveel. De wasmanden puilen uit met vieze en schone was. De kasten zijn juist leeg. Het aanrecht staat nog vol met vuile vaat en het speelgoed is maar half-half opgeruimd. De vloer moet hoognodig gezogen worden en met een geoefende blik ontwijk ik alle andere oneffenheden zoals vieze ramen, stof in de vensterbank en meubels die scheef staan.

Ik neem me voor om in ieder geval één van de probleemgebieden aan te pakken, maar ben blij als het me gelukt is om de hoognodige zorg aan de kinderen te geven. En dan plof ik maar weer op de bank. Of in bed als het me gegund is.

Het is even niet helemaal wat ik me ervan had voorgesteld, het leven. Of beter, het is even helemaal niet wat ik me ervan had voorgesteld.

Ach ja, het is nou eenmaal zoals het is. Zucht.

Zonder waarschuwen

Ineens, zonder waarschuwen, is ie er weer. De Grote, Boze Vermoeidheid. Hij tintelt door m’n armen en handen en maakt me nog geen schim van wat ik zijn kan. Ik voel me alleen en uitgeblust. Gefrustreerd ook, omdat ik had gewild dat het voorbij was. En omdat ik had gewild dat ik ervoor had gezorgd dat het niet zou gebeuren.

Maar ja. Ik deed eventjes dit en eventjes dat. Langzamerhand, heel langzaam probeerde ik het gewone leven weer op te pakken. Niet zoals het was hoor, ben je gek. Nee, het was nog maar een fractie van wat ik gewend was. En blijkbaar gaat dat dus nog steeds mis.

Bah, niet leuk. Ik wil weer gewoon. Ik wil weer dat het is zoals het hoort. Ik wil dat het me nooit meer overkomt. Klaar ben ik ermee. He-le-maal klaar.

Zo.

Mag ik dan nu weer mijn eigen leven terug?